En waar moet een performant tussenniveau dan aan voldoen?.

13.09.2018

Er woedt dus een institutioneel debat in Vlaanderen. Niet over de relatie tussen Vlaanderen, België en de andere regio's. Nee, dit debat gaat over Vlaanderen, de gemeenten, en alles wat zich aan bestuursorganen daartussen bevindt. In dit institutionele debat is de vraag steeds minder "waarom" we een tussenniveau nodig hebben, en steeds meer "wie" of "wat" dat tussenniveau dan wel moet zijn.

Hoe willen we het bestuur in Vlaanderen organiseren op een performante maar ook transparante en zo licht mogelijke manier? Want een kluwen van meer dan 1.000 lokale en regionale structuren en organisaties, daar wordt niemand beter van....

De VVP wil het debat hierover graag objectiveren en schuift meteen zeven criteria naar voren waaraan een intermediair niveau volgens ons moet voldoen. En nee, uiteraard zijn wij als Vereniging van de Vlaamse Provincies niet objectief in dit debat, dus uiteraard is dit ook een pleidooi pro domo. Maar dan wel op basis van relevante criteria. Want iemand moet de knopen doorhakken...

  1. Democratisch verkozen
    Dit is één van de voornaamste lessen uit het debat rond de intercommunales. Te vaak werd daarin aangevoerd dat politici die in die intercommunales zetelen dat doen vanuit een gemeenteraad, en dus democratisch gelegitimeerd zijn. Dat kan, maar dat maakt die organisaties daarom zélf nog niet gelegitimeerd. Al was het maar omdat beslissingen er niet-transparant en onzichtbaar genomen worden. De provincies daarentegen zijn zowat het oudste democratisch verkozen bestuursniveau in dit land: al sinds 1836 worden provincieraadsleden rechtstreeks verkozen, en alle beslissingen zijn volledig openbaar.
     
  2. Als legitiem aangevoeld
    Het is één ding om de facto, via verkiezingen, de uiting te zijn van de volkswil, zoals dat heet; het is een ander om ook zo door de burger te worden aangevoeld. Op gemeentelijk niveau is dat duidelijk: burgers zijn verknocht aan hun gemeente (en dat staat, ironisch genoeg, vaak de fusies in de weg die diezelfde gemeenten in staat moeten stellen om performant aan de noden van hun burgers te voldoen).

    Maar ook de provincies hebben, meer dan men zou verwachten, een natuurlijk aangevoelde legitimiteit. Niet enkel in Limburg en West-Vlaanderen waar het provinciegevoel wat groter is, maar ook in de andere provincies. Zo blijkt toch uit een studie van professoren Ann Verhetsel (UAntwerpen) en Isabelle Thomas (UC Louvain) die blootleggen dat wonen, werken, mobiliteit en zelfs de relaties van veel Vlamingen aan de provinciegrenzen zijn gebonden. ‘De resultaten van dit onderzoek gooien de discussie over het aangewezen tussenniveau tussen gewesten en de gemeenten weer helemaal open’, zegt Verhetsel in De Standaard. ‘Staan de steden en hun randgemeenten wel écht het dichtst bij de leefwereld van de mensen? En is de dure opsplitsing van de provincies naar nog heel wat meer entiteiten wel verantwoord? De overheid is maar beter voorzichtig met het naast zich neerleggen van historische grenzen en de intense relaties die daaruit gegroeid zijn.’
     
  3. Flexibel
    Niet enkel zijn vele problemen te groot voor de gemeenten en te lokaal voor Vlaanderen, de schaal waarop ze best aangepakt worden, is ook nog eens verschillend. Zo kan een samenwerking tussen gemeenten A, B en C de beste oplossing zijn voor een bedrijvenpark of sportinfrastructuur, maar is een samenwerking tussen gemeenten A, K en Y meer aangewezen voor bijvoorbeeld het beheer van een waterloop of opvangbekkens. Omdat de natuur zich nu eenmaal niet houdt aan gemeentegrenzen of structuren. Welk tussenniveau we in Vlaanderen ook verkiezen, als het de gemeenten opsluit in vaste samenwerkingen die geen flexibiliteit en maatwerk toelaten, dan zijn we niet goed bezig. De provincies zijn het gewend van over grenzen heen samen te werken, zal dat ook zo zijn met nieuw op te richten regio's?
     
  4. Fair en evenwichtig
    Vlaanderen is een regio met een grote diversiteit in steden en gemeenten, en die hebben allemaal hun eigen noden en uitdagingen. De grote steden zijn vaak geen vragende partij voor een tussenstructuur, zij zijn groot en sterk genoeg om rechtstreeks met de Vlaamse Overheid te werken. Kleine gemeenten hebben dat niet, en voor hen zijn bijvoorbeeld de provincies een goede ondersteuning. Niet toevallig roept bijvoorbeeld VOKA Limburg op om de provincies vooral niet af te schaffen, bang als ze zijn dat Limburg, dat weinig grote steden telt, niet meer aan bod zal komen in Brussel.

    Maar kunnen we dan niet precies onze tussenstructuur organiseren rond de centrumsteden, en van hen de trekkers maken? Via stadsregio's bijvoorbeeld? Dat kan, maar dan moet je accepteren dat het beleid vanuit de steden vertrekt, en dat kleinere gemeenten de facto hun satellieten worden. Maar hoe vreemd het voor sommigen ook moge overkomen, vele Vlamingen wonen bewust in kleine gemeenten, ze wonen daar grààg en ze willen niet dat hun gemeente een dépendance wordt van de grotere stad.
     
  5. Efficiënt
    Ondoorzichtige, trage en complexe besluitvorming is niet de enige prijs die we betalen voor de complete verrommeling van ons bestuurlijke landschap met z'n ontelbare structuren en instellingen. Er is ook een letterlijke prijs: de kost van mandaten, secretariaten, personeel, werkingskosten, etc. Goed bestuur mag iets kosten, toegegeven, maar dan moet het ook goed zijn.

    De 5 provinciebesturen moeten zowat het meest doorgelichte bestuursniveau in dit land zijn. Al tien jaar lang wordt er gediscussieerd, hervormd, afgeslankt en gereorganiseerd. Geen millimetertje vet zit er nog op de spieren. Is het dan werkelijk een goed idee om die 5 performante besturen te vervangen door, zoals sommigen voorstellen, 13 of zelfs 24 stadsregio's? Waar zit de financiële en economische meerwaarde van die extra mandaten, extra ambtenaren, extra werkingskosten? Zijn we dan efficiënt bezig?
     
  6. Kwalitatief
    En uiteraard moet een bestuurlijk niveau gewoon kwalitatief goed werk afleveren. Moet het de dingen goed en professioneel aanpakken.

    Mensen kunnen dan al van mening verschillen over het nut van de provincies, over de kwaliteit van de provinciale dienstverlening naar organisaties, middenveld en gemeenten is vriend en vijand het eens. Net zoals over de kwaliteit van de projecten die we opzetten, steunen en onderhouden, en de kwaliteit van onze mensen. Niet toevallig heeft Vlaanderen bij de afslanking van de provincies op 1 januari, alle bijhorende provinciale ambtenaren overgenomen: ze vertegenwoordigen immers een kapitaal aan ervaring en expertise.
     
  7. Samenwerkend en afgestemd.
    Hoe het ideale tussenniveau er ook uitziet, één ding is zeker: het zal pas goed draaien als het bereid is samen te werken met de verschillende andere overheden in dit land.

    In onze buurlanden (Nederland, Duitsland en Frankrijk) bestaat er een stevige wetgevende basis rond interbestuurlijke samenwerking om projecten waar te maken. Die wetgeving laat een bestuur toe met een ander (hoger of lager) bestuur projecten te realiseren zonder daarvoor een nieuwe juridische structuur te moeten uitwerken. Zo kan men flexibel te werk gaan zonder meer verrommeling te veroorzaken.

    Zo’n decreetgeving bestaat nog niet in Vlaanderen maar zou ook hier een instrument zijn om de veelheid aan structuren in te dijken en het landschap wat meer overzichtelijk te maken. En ook hier zijn de provinciebesturen méér dan bereid, we zijn al jarenlang vragende partij.

Het is, kortom, tijd voor een open en vooral rationeel debat, en constructieve samenwerking, voorbij alle clichés en soms zelfs emotionele weerstand of rancune. Vlaanderen en zijn burgers verdienen een goed, efficiënt en betaalbaar bestuur op alle niveaus.