Een performant tussenniveau in Vlaanderen wérkt: dat bewijzen de provincies elke dag...

17.09.2018

"Een regionaal vervoersbedrijf voor Antwerpen"
"Vrijwillige fusie van gemeenten"
"Minder en minder politieke mandaten"
"Fusiegolf bij intercommunales"

Dit is slechts een snelle greep uit de krantentitels van de laatste maanden. Ze tonen aan dat er, voorlopig nog onder de radar, een institutioneel debat woedt in Vlaanderen. Niet over de relatie tussen Vlaanderen, België en de andere regio's. Nee, dit debat gaat over Vlaanderen, de gemeenten, en alles wat zich aan bestuursorganen daartussen bevindt.

Een paar jaar geleden was dit nog ondenkbaar. Toen was de impliciete overtuiging dat alle bestuurszaken in Vlaanderen perfect te regelen waren op twee niveaus: de Vlaamse overheid enerzijds, de steden en gemeenten anderzijds, die enkel nog verder moesten professionaliseren en versterkt worden. De provincies, dat waren archaïsche overblijfselen uit een vroegere tijd; die zouden op termijn wel stilletjes uitdoven...

Ondertussen zijn we wijzer geworden. Of enkele illusies armer, afhankelijk van het perspectief. 

  • Want de schandalen rond o.a. Publipart en Publifin hebben een realiteit blootgelegd die voor vele burgers als een schok kwam: tussen gemeenten en Vlaanderen blijkt er een kluwen van organisaties te bestaan die niet of nauwelijks democratisch worden gecontroleerd en die zich vaak onledig houden met allerlei zaken die niet tot hun oorspronkelijke taken behoren.
     
  • Aan gemeenten wordt steeds meer gevraagd en opgelegd, ook vanuit Vlaanderen, en dat zet hen onder druk. En toch geven de schaarse vrijwillige fusies tussen gemeenten aan dat schaalvergroting van onderuit geen evidente zaak is.
     
  • Tenslotte toont bijvoorbeeld de roep van NVA-schepen Koen Kennis naar een regionaal vervoersbedrijf aan dat bv. mobiliteit zo'n complex probleem is dat het zelfs de krachten van Vlaanderens grootste stad overstijgt, en dat anderzijds zo lokaal is dat het door een Vlaamse organisatie als De Lijn niet specifiek genoeg lijkt te worden aangepakt - of zo wordt het toch aangevoeld.


Deze en vele andere voorbeelden tonen aan dat er zich in de praktijk steeds opnieuw de nood manifesteert aan een tussenniveau tussen gemeenten en Vlaamse Overheid.
En dat is logisch. Want heel wat problemen en uitdagingen overschrijden de gemeentegrenzen, en vergen dus een vorm van samenwerking; en tegelijkertijd vragen ze om maatwerk en dus terreinkennis, wat vanuit Brussel niet altijd voorhanden is. Iets wat heel wat Vlaamse administraties lijken te beseffen, en waar ze zich op organiseren door hun werking te deconcentreren ... in provinciale afdelingen.

Kortom, in dit institutionele debat is de vraag steeds minder "waarom" we een tussenniveau nodig hebben, en steeds meer "wie" of "wat" dat tussenniveau dan wel moet zijn. Hoe willen we het bestuur in Vlaanderen organiseren op een performante maar ook transparante en zo licht mogelijke manier? Want een kluwen van meer dan 1.000 lokale en regionale structuren en organisaties, daar wordt niemand beter van.

De Vlaamse provincies zien daarin bij uitstek een rol voor zichzelf.

  • Enerzijds vanuit een focus op grondgebonden bevoegdheden (mobiliteit, economie, vergunningen, waterlopen, etc) waardoor wij als geen ander de vele streken van Vlaanderen kennen als onze broekzak.
  • En anderzijds zijn wij door onze collegiale en verbindende manier van werken het best geplaatst om gemeenten, administraties en andere stakeholders steeds opnieuw rond de tafel te brengen om lokale noden aan te voelen, en oplossingen op maat te ontwikkelen. Wij werken niet top-down, wij zijn partners van de gemeenten.

Dàt, samen met onze grondgebonden knowhow, maakt van ons de "streekmotor" die zaken doet vooruitgaan in Vlaanderen. Zoals het stimuleren van innovatie in de landbouw. Zoals het werken aan duurzame mobiliteit via fietssnelwegen. Zoals het stimuleren van handel in dorps- en stadskernen. Zoals veiligheidsonderwijs (politie, brandweer,…), de economische streekontwikkeling, het technisch beroepsonderwijs, monumentenwacht, toerisme in eigen land met focus op provinciedomeinen. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Dus nee, uiteraard zijn wij als Vereniging van de Vlaamse Provincies niet objectief in het debat rond dit tussenniveau, en uiteraard is dit een pleidooi pro domo. Maar we willen het debat graag objectiveren door zeven criteria naar voren te schuiven waaraan een intermediair niveau volgens ons moet voldoen.

De zeven criteria voor een goed werkend tussenniveau zijn o.i. de volgende:

  1. democratisch verkozen zijn
  2. als legitiem aangevoeld worden
  3. flexibel
  4. fair en evenwichtig
  5. efficiënt
  6. kwalitatief
  7. samenwerkend én afgestemd

We gaan er hier uitgebreider op in.

Het is hoedanook tijd voor een open en vooral rationeel debat, en constructieve samenwerking, voorbij alle clichés en soms zelfs emotionele weerstand of rancune. Vlaanderen en zijn burgers verdienen een goed, efficiënt en betaalbaar bestuur op alle niveaus.

De Vlaamse provincies zijn vandaag performante, gestroomlijnde, professionele en moderne besturen. Wij zijn een krachtig alternatief voor een verrommeld Vlaanderen vol ondoorzichtige en vaak onzichtbare structuren. En vooral: we bestààn al. Geen nood om iets nieuws op te richten.
 
Mocht het nog niet duidelijk zijn: wij zijn er helemaal klaar voor. Laat ons werken én samenwerken. Zodat we Vlaanderen en de Vlamingen echt vooruit kunnen helpen. Want dat is wat we elke dag doen en wat écht telt.
 
Namens de Vereniging van de Vlaamse provincies
 
L. Lemmens, VVP- voorzitter 

en de leden van het VVP-bureau 
H. Bruggeman, L. Caluwé, K. Geysen, M. Swinnen, L. Vandenhove,
M. Vandeput, M. Vanlerberghe, A. Vercamer, C. Vereecke